Eén van de mooiste dingen van Ongehoord Nederland is de directe lijn met wat er speelt in de haarvaten van de samenleving, zonder politiek-correct filter. Precies dit stelt mij in staat om wat uitsneden te presenteren van hoe het er in de EU-instituties aan toegaat.

Op vrijdag 6 maart 2020 hield het Europees Parlement een briefing over de budgettering van de EU. Er blijkt een aanzienlijk budget te bestaan voor zogenaamde pilotprojecten (PPPA’s): volgens de presentatoren jaarlijks grofweg honderd miljoen euro.

De aanwezigen, iets minder dan tweehonderd personen, kregen op het hart gedrukt om uitsluitend voorstellen in te dienen die duidelijk bedoeld zijn om wetgeving voor te bereiden. “De Europese Commissie elimineert ieder voorstel dat niet leidt tot het voorbereiden van nieuwe regelgeving.” Het ligt voor de hand dat Europarlementariërs zullen proberen om pilots aan te boren die hun thuisstad subsidiëren: dit is evident niet de bedoeling.

Ondergetekende stelde de vraag of het ook mogelijk is om voorstellen in te dienen die leiden tot minder wetgeving, oftewel deregulering. De reactie was tekenend voor het DNA van deze instituties: “Wat een interessante vraag – dit is nieuw, in al deze jaren heb ik nog nooit zo’n poging gezien.” Oftewel de boel steekt zó in elkaar dat wat je ook doet, het enkel kan leiden tot meer regels en wetten.

Een andere interessante uitsnede is een discussie in het werkcomité FEMM, dat gaat over vrouwenrechten en gendergelijkheid. Formeel heeft het comité geen eigen wetgevende bevoegdheid: dit betekent dat FEMM vooral samenwerking zoekt met andere comités om te zorgen dat het onderwerp gendergelijkheid op ieder beleidsterrein terugkomt. Dit noemt de EU ‘gender mainstreaming’.

FEMM is bijvoorbeeld in de ban van het Beijing Platform for Action: een VN-conferentie over de wereldwijde staat van vrouwenrechten. Voor de stafleden zijn de prioriteiten echter niet duidelijk: wat zij daar behandeld willen zien moest eerst overlegd worden met de Europarlementariërs; tegelijk maakte het secretariaat een punt van de toenemende werkdruk. Omdat FEMM geen directe wetgevende bevoegdheid heeft, moet dit comité het vooral hebben van paneldebatten en conferenties, maar de invulling daarvan wordt vaak pas op het laatste moment duidelijk. Zijn de thema’s van de Beijing-conferentie überhaupt te stroomlijnen met de bestaande commitments van de betrokken Europarlementariërs?

Omdat het antwoord daarop niet evident was, stelde ondergetekende voor om het om te draaien. Is het niet verstandiger om eerst na te denken welk thema je op zo’n platform zou willen behandelen en waarom? Het secretariaat denkt echter in een andere richting: “Het platform is te belangrijk als een podium om de EU te profileren – dit mogen we niet laten schieten!” Wat men überhaupt met een presentatie wil bereiken, is kennelijk minder belangrijk dan de zichtbaarheid van de EU.

Het laatste is opmerkelijk want ‘zichtbaarheid’ is doorgaans een politiek criterium en geen ambtelijk criterium. Politici hebben er baat bij om zich te profileren – maar zou het een ambtenaar moeten uitmaken hoe zichtbaar zijn of haar institutie is? Het valt op dat deze fundamentele vragen nauwelijks worden opgenomen: men is vooral bezig met stemlijsten afhameren en sprekers regelen voor conferenties.