Onlangs zat ik op een terrasje voor het Haagse stadhuis en keek naar de skaters. Het waren er veel, een stuk of tien jongens die heel relaxed bezig waren. Ze stonden meer te kletsen dan dat ze ‘werkten’, maar het was dan ook warm.

Het stadhuis is een groot, spierwit gebouw tussen het Centraal Station en de Grote Markt. Aan de zuidwestkant – tussen het stadhuis en de centrale bibliotheek – is een langwerpig plein met donkergrijze, vierkante plavuizen. Het schijnt een lekkere ondergrond te zijn om op te skaten, want er rijden altijd wel een paar jongelui rond; soms meisjes, meestal jongens. Als je over het plein loopt, hoor je het klappen van de skateboards als ze neerkomen na een sprong.

Ze hadden een kleine hindernis neergelegd en probeerden daar met hun skateboards overheen te springen. Sommigen deden het met gemak, anderen hadden er moeite mee en een paar brachten er niets van terecht. Het maakte allemaal niet uit. Er hing een lome, gemoedelijke sfeer en de jongens gingen vriendschappelijk met elkaar om: kletsen, lachen, soms een broederlijke stomp en dan weer even een rondje rijden en een kunstje proberen.

En toen besefte ik waar ik naar zat te kijken. De jongens hadden alle kleuren van de regenboog. Er waren een paar lichtgetintiërs bij, Marokkanen of Turken (ik zie niet zo goed het verschil)? Twee negers, eentje heel donker, de ander wat lichter. Een jongen met duidelijk Chinese trekken. Een paar blanken, van wie twee met kaalgeschoren hoofden, skinheads? En alles kletste en deed in wisselende combinaties.

Eén van de lichtgetintiërs had de Chinees blijkbaar lang niet gezien en ze gaven elkaar een knuffel. Zo’n mannenknuffel: kort en een beetje ruw, maar oprecht en hartelijk. Een andere lichtgetintiër kreeg het niet voor elkaar om goed over de hindernis te springen en één van de blanke jongens kwam het voordoen. Hij sprong er feilloos overheen en ze spraken samen. Een keer of vijf sprongen ze over de hindernis, dat wil zeggen: de blanke sprong, de andere jongen kwam elke keer naast z’n skateboard terecht. Toen mislukte de sprong van de blanke en de ander lag in een deuk. De blanke lachte ook en ze gingen verder. Eindelijk lukte de sprong van de jongen en hij stond met een triomfantelijke grijns op zijn skateboard, twee vuisten in de lucht.

Het was zo gewoon. Zo vanzelfsprekend. Zo alledaags.

Zouden deze jongens iets merken van het oververhitte racismedebat? Waarschijnlijk zouden ze hun schouders erover ophalen. Niet interessant; ze hebben wel iets beters te doen. Die ene truc die ineens gelukt is, dat betere skateboard waar ze voor sparen.

Ik keek naar dit vredige schouwspel en vroeg me af: hoe gewoon is het dat gemengde groepjes kinderen en jongeren samen optrekken? Het is zo gewoon dat we het niet eens meer opmerken.

Intussen lopen bezorgde journalisten, hijgerige politici en fanatieke activisten met oogkleppen door de Nederlandse samenleving, op zoek naar spoortjes racisme, die ze dan triomfantelijk vieren. Wat doet dat gezoek met onze samenleving?

Ines van Bokhoven schreef eind juni een open brief aan Mark Rutte over de giftige uitwerking van de voortdurende beschuldigingen van racisme:

‘Het doet iets met een mens, om elke dag voor monster te worden uitgemaakt door de media, door politici, door sporters, zangers, filmsterren, kortom: iedereen die er toe doet. Het sloopt een mens om dat constant te moeten aanhoren.’

Je vraagt je af of al die racismeschreeuwers wel beseffen wát ze aan het slopen zijn. Ik zou ze willen uitnodigen om eens naar de skaters bij het stadhuis van Den Haag te komen kijken. Het maakt niet uit wanneer je komt, vroeg of laat. Kijk eens naar die jongens en besef hoe Nederlands dit tafereeltje is, besef hoe gewoon het is dat deze jongens simpelweg vrienden zijn en niet malen om elkaars huidskleur.

Een speciaal verzoek aan journalisten: ga ze alsjeblieft níét interviewen. Val ze niet lastig met ‘of ze elkaar wel echt gelijk behandelen.’ Vergiftig ze niet met je waanideeën. Laat je vooroordelen thuis en kijk gewoon. Besef dat het grote kolder is om te roepen dat in Nederland ‘systemisch’ racisme heerst. Besef dat Mark Rutte alleen maar weer eens met de laatste wind meewaait.

Racisten moeten worden aangepakt. Maar de gevaarlijkste racisten zijn de handelaren in identiteitspolitiek.

Naschrift: dit gastblog is overgenomen met toestemming van weblog Saltmines.nl