Al enige tijd ben ik met mijn goede vriend Paul Cliteur in debat over zijn begrip theoterrorisme, het onderwerp van zijn laatste boek. In onze mailwisseling heb ik een aantal bezwaren tegen deze term genoemd en daarop heeft Paul weer gereageerd.

De term theoterrorisme is een samenstelling van theos (god) en terrorisme. Bedoelt Paul alle godsdiensten? Nee, antwoordt hij, alleen de drie monotheïstische godsdiensten: jodendom, christendom en islam. Beweert Paul dat ook jodendom en christendom oproepen tot terreur? Nee, zegt Paul, voornamelijk de islam, omdat van terrorisme nauwelijks sprake is bij de andere twee, zeker heden ten dage. ‘In het christendom en het jodendom hebben kerk en synagoge hun donkere kelders dichtgemetseld’, zei de in 2015 overleden arabist Hans Jansen dan ook. ‘In de islam moet dat nog gebeuren.’

Waarom dan met zo’n algemene term de suggestie wekken dat alle monotheïstische godsdiensten een terrorismeprobleem hebben? Omdat er teksten zijn in de Bijbel waar sprake is van bijvoorbeeld stenigen bij bepaalde overtredingen, aldus Paul. Maar dat is toch wat anders dan terrorisme? Nee wacht, zegt Paul, onder terrorisme versta ik het doden van iemand op bevel van God.

Maar er is toch nooit gevolg gegeven aan dat bevel van doden/stenigen, het is toch alleen theorie gebleven? Klopt, zegt Paul, in het jodendom is het bij theorie gebleven. Waarom dan toch deze misleidende term? Wel, zegt Paul, om het islamitisch terrorisme te verklaren.

Nu breekt mijn klomp. Moet Paul er dode verzen bij slepen? Staat de Koran niet vol soera’s en verzen die al veertienhonderd jaar dienst doen als ‘license to kill’ (jachtakte), zoals de historicus Bernard Lewis het noemde, verzen die ook in het hier en “nu oproepen tot het doden van ongelovigen op bevel van Allah? Dat heet jihad.

Ik vraag Paul nogmaals of de dode bijbelteksten iets te maken hebben met het islamitisch terrorisme. Nee, niet echt, erkent Paul.

In mijn eerdere blog hierover haalde ik de beroemde Egyptische islamgeleerde Sayyid Qutb (1906-1966) aan, destijds huisideoloog van de Moslimbroederschap. Hij vond dat ‘andere dominante ideologieën, zoals het kapitalisme, liberalisme en socialisme in vergelijking met de islam slechts zwakke, onvolledig en corrupte systemen’ waren. Hij vergeleek de islam dus niet met andere godsdiensten, zoals Paul Cliteur, maar met ideologieën.

Daar ben ik het mee eens: de islam is een ideologie. Eentje die haaks staat op de westerse moderniteit. Vooral twee elementen eruit: ten eerste taqiyya, liegen ten faveure van de oemma, de islamitische wereldgemeenschap die met geweld strijdt voor onderwerping aan de sharia van het nog niet geïslamiseerde gebied. En ten tweede het verheerlijken van de dood, het martelaarschap in deze religieus verplichte jihad, op bevel van Allah, tegen ongelovigen.

Het is vooral het tweede punt, de religieus geïnspireerde verheerlijking van de dood, waardoor Paul Cliteur spreekt van theoterrorisme.

Vanuit de oproep aan moslims en islamitische geestelijken om zich te ontwikkelen in beschaafde richting, zoals ook jodendom en christendom hebben gedaan, zou je met recht kunnen zeggen: kijk beste moslims, ook in de Bijbel staan doodstraffen op bevel van G*d bij bepaalde overtredingen, maar die bevelen worden niet gepraktiseerd. Islam, volg het goede voorbeeld.

De volgende kwalificaties van de term zijn alleszins begrijpelijk en terecht.

‘Joden en christenen spelen in een heel andere afdeling’, aldus de Vlaamse taalkundige, schrijver en filosoof Wim van Rooy, ‘en het zou een weinig pervers zijn de term ook op hen te blijven toepassen.’

‘Het is een nietszeggend containerbegrip’, vindt eindredacteur en vertaler Bernadette de Wit. ‘En harteloos: Theo van Gogh is afgeslacht door een Marokkaanse moslim. Elke keer dat Cliteur dit woord gebruikt, draait Theo zich om in zijn graf.’

Enfin, mijn conclusie is dat er geen enkele nut of noodzaak is voor de term theoterrorisme. De tegenwerpingen van Paul Cliteur hebben me niet overtuigd. De term is in mijn ogen onjuist en misleidend.

Resteert de vraag die journalist Paul van Liempt mij stelde na afloop van zijn tweede interview over mijn nieuwe boek, Een Marokkaanse Jood van analfabete ouders: waarom doet Cliteur dit? Ik weet het niet, zei ik. Wellicht zit het antwoord in de volgende reactie van een neef van de arabist Jansen:

‘Als je dan blijft volharden in de term theoterrorisme, dan ontzeg je jezelf de mogelijkheid om werkelijk analytisch door te dringen in het problematische van de islam, en dan komt steeds maar die oppervlakkige suggestie naar voren, die mogelijk zeer geliefd is in kringen van atheïsten, dat terrorisme van doen heeft met geloof in God.’

‘Aversie tegen alles wat met God te maken heeft’ (neef Jansen): zou dat het motief van Paul Cliteur kunnen zijn?

Eind goed, al goed. Paul Cliteur heeft zich beraden. In zijn laatste reactie zegt hij dat hij ‘nu even andere terminologie’ gebruikt om ‘draagvlak bij een zo groot mogelijke groep lezers te creëren.’