Uit protest tegen dood van een zwarte Amerikaan door toedoen van een blanke politieagent zagen we de afgelopen tijd veel mensen een knielende houding aannemen. De manier van knielen is niet nieuw, maar ontleend aan een medaillon uit 1787 van de beroemde Britse pottenbakker Josiah Wedgwood. Het medaillon is getiteld ‘Am I Not a Man and a Brother’?

De geketende en knielende zwarte man is een van de bekendste afbeeldingen uit de Britse antislavernijbeweging. De welgestelde Josiah Wedgwood (1730-1795) verwierf niet alleen grote bekendheid door de naar hem vernoemde porseleinen serviezen, maar ook door zijn strijd tegen de slavernij (abolitionisme). Mede door zijn inzet en die van zijn goede vriend de evangelische politicus William Wilberforce, alsmede een aantal christelijke groeperingen zoals de Quakers, werd in 1833 slavernij in Britse kolonies verboden.

In Nederland was het de kersverse koning Willem I die in juni 1814 bij Soeverein Besluit op aandringen van de Britten de slavernij afschafte. Dit besluit zou later door Thorbecke in de Grondwet van 1848 worden opgenomen. Het zou echter nog tot 1 juli 1863 duren eer de wet van kracht werd, want het parlement kon het moeilijk eens worden over de schadevergoeding die een slavenhouder moest krijgen voor het verlies van zijn ‘eigendom’.

Vanwege de trage politieke besluitvorming aangaande het lot der zwarten beraamt de tot dan toe onbekende oud-schoolmeester en christensocialist Jan Schenkman in 1850 een plan om op ludieke wijze de publieke opinie te mobiliseren. Schenkman is lid van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, een sociale instelling die nauwe banden onderhoudt met de tot dan toe nog niet bij Koninklijk Besluit goedgekeurde Maatschappij ter bevordering van de Afschaffing der Slavernij van Groen van Prinsterer. Willem Groen van Prinsterer (1801-1871) is de stuwende kracht achter de diverse comités die streven naar de afschaffing van de slavernij en een vooraanstaand parlementslid; ook is hij de grondlegger van zowel de eerste christelijke politieke partij ARP als het christelijk onderwijs.

Jan Schenkman is van mening dat een ‘massale volksbeweging’ ter ondersteuning van de politiek van Groen van Prinsterer en de abolitionisten een flink tegenwicht kan bieden aan de lobby van de Amsterdamse handelshuizen en plantagehouders die niets van de afschaffing willen weten. Om de massa te mobiliseren, dient echter eerst een ‘omslag’ bij het volk tot stand te worden gebracht. Dat een omslag hard nodig is, blijkt onder meer uit een sarcastische opmerking van een abolitionist:

“het werd voor de burgerij “zoo vervelend bij herhaling te spreken of te hooren van die negers, die zóó ver af woonden, en hunne vrijmaking zou zoo veel geld kosten en men behoefde geld voor zaken in het binnenland, voor werken van algemeen nut.”

Jan Schenkman ergert zich aan dit soort uitspraken. En uit onvrede met hoe de politiek en de burgerij omgaan met de belangen van de zwarte bevolking aan de andere kant van de oceaan neemt hij de taak op zich het beeld van de ‘halfnaakte zwarte wildeman’ om te vormen tot een populaire, goedgeklede en graag geziene medeburger. In het prentenboek Sint Nikolaas en zijn knecht (1850) legt Schenk de basis voor de Zwarte-Piettraditie.

De hulp van de Sint heeft een vertrouwd klinkende, Hollandse naam: Piet. De lendendoek gaat af en hij draagt een mooi pakje met rode biezen. Hij heeft de taak de geldkist van Sint Nikolaas te dragen, een zaak van vertrouwen. Als hij de cadeaus rondbrengt, geven de dankbare ontvangers hem ‘een hand en een zoen’. Waar Zwarte Piet verschijnt, is het feest; hij ‘strooit lekkernijen in het rond’.

Het prentenboek van Jan Schenkman slaat aan bij het publiek en Piet wordt razend populair. Ook de wat saaie Sintfiguur uit vroeger tijden vaart er wel bij. Het is Zwarte Piet die het probleem van de slavernij aan de orde stelt. De Sint is hierbij zijn hulpje. Het volk draagt Pieter, zoals de zwarte man al in 1828 door de katholieke literator Alberdingk Thijm wordt genoemd, een warm hart toe.

Niet alleen de gegoede burgerij komt door toedoen van Jan Schenkmans prentenboek in actie tegen de slavernij, weet het Amsterdams archief te melden: “In de zomer van 1855 vroegen 733 Amsterdamse vrouwen aan koning Willem III een eind te maken aan de slavernij. Volksvrouwen, zoals dienstbodes, echtgenotes van sjouwers, bouwvakkers en ambachtslieden en ook kroeghoudsters.” Ze schreven de koning dat ze zich voor God en hun geweten verplicht voelden te spreken namens de zwarte overzeese bevolking, voor:

“(zwarte) vrouwen wier huwelijk niet erkend, wier liefde tot hare mannen tot een misdaad wordt aangerekend; [voor] die maagden met wier eergevoel gespot wordt, [en voor vrouwen] wier liefde tot hare kinderen zoo duur soms wordt geboet.”

De volksvrouwen werden gemobiliseerd door de Vereniging ter Verbreiding der Waarheid, een evangelisatieorganisatie die zowel het gedachtegoed van het (evangelisch) Réveil van Ottho Heldring uitdroeg als dat van de christelijke politicus Groen van Prinsterer. En dat van de christensocialist Schenkman van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen.

Maar het was niet enkel het prentenboek van Jan Schenkman dat voor een omwenteling zorgde. Ook het boek van de Amerikaanse schrijfster en domineesdochter Harriet Beecher-Stowe, dat in 1853 als De neegerhut van oom Tom in Nederland verscheen, speelde daarbij een belangrijke rol. Het boek van dominee W.R. van Hoëvell Slaven en vrijen onder de Nederlandsche wet dat kort daarna uitkwam, heeft hieraan eveneens bijgedragen.

Na het overlijden van Jan Schenkman in 1863, en de wettelijke afschaffing van de slavernij in dat jaar, zien we de populariteit van Zwarte Piet – en zijn status – nog meer toenemen. Zo krijgt Pieterman soms oorringen en een sjieke baret. De baret was het gebruikelijke hoofddeksel voor de beter gesitueerden. Let wel: In de 19de eeuw golden er strenge kledingvoorschriften. Het dragen van baretten, hoge witte boorden en kragen was ten strengste verboden voor mensen uit de lagere standen. Er stond zelfs gevangenisstraf op.

Voor het dragen van oorringen waren gaatjes nodig. In het Bijbelboek Exodus lezen we de betekenis van het ‘doorboren’ van de oorlellen bij een slaaf; Bijbelkennis was in de 19de eeuw bij iedere christen standaard aanwezig. Exodus 21:5: “Mocht een slaaf te kennen geven dat hij aan zijn meester … gehecht is en niet als vrij man wil vertrekken, dan moet zijn meester … zijn oor doorboren met een priem. Hij blijft dan [vrijwillig] in dienst van zijn meester.”

En Sint Niklaas? Zonder zijn zwarte metgezel zou het feest niet half zo populair en leuk zijn geworden als het nu is. De Sint werd in de loop der jaren een beetje een verstrooid en sukkelig figuur. Hij was degene die alles in het honderd liet lopen en zijn Pieten losten met veel vernuft de zaken op; soms vergat hij het Grote Boek en dan weer zijn paard, maar de Pieten wisten altijd raad en zorgden ervoor dat het feest feestelijk kon verlopen.

Het ‘Pietengilde’ werd in de loop der tijd ook steeds groter. In 1954 reed er zelfs voor de eerste keer een hele brigade scooter-Pieten mee in de optocht; en dat in een tijd dat de gewone man nog op de fiets naar zijn werk ging. Ook de ‘hoofdpiet’ werd steeds belangrijker. Speelde deze in 1934 nog een bijrol, vanaf 1968, als Piet Römer in de huid van de hoofdpiet kruipt, treedt deze, mede door zijn acteerprestaties, op de voorgrond. Piet Römer zou maar liefst dertien jaar deze rol vertolken en van Zwarte Piet een belangrijker personage maken dan de Sint.

Van een uitgebuite en mishandelde slaaf, werd de ‘zwarte man’ door Jan Schenkman getransformeerd tot een betrouwbare, kundige en goedlachse dienaar met aanzien. Een vrij man met een volwaardige dienstbetrekking, nette bedrijfskleding en goede secundaire arbeidsvoorwaarden. De (zwarte) samenleving is schatplichtig aan alle strijders die in het geweer kwamen tegen de slavernij, maar aan Jan Schenkman in het bijzonder.