Op het omslag van zijn autobiografie staat hij als een Joodse nozem. Zelfverzekerd. Onderzoekende blik. De jonge David Pinto staat op het punt een rondvaartboot in te gaan, het kaartje houdt hij tussen zijn vingers. Het boek heet Een Marokkaanse Jood van analfabete ouders, ingeleid door Paul Cliteur en Wim van Rooy, en verhaalt van zijn bijzondere levensloop, van een straatarm, groot Joods gezin in een Berberdorpje via Israël tot hoogleraar interculturele communicatie in Nederland. In zijn boekenkast in Amsterdam-Zuid staat prominent de Talmoed, een rij folianten, in leer gebonden. Schrijver en interviewer kennen elkaar, dus we tutoyeren.

David Pinto werd geboren in het dorpje Midelt, aan de voet van het Atlasgebergte in Marokko. Als Jood tussen Berbers, Jood tussen moslims. De scholen waren volstrekt gescheiden, het sociale leven ook. Net als veel andere kindertjes kreeg ook de kleine David de oogziekte trachoom, een in arme gebieden veel voorkomende ontsteking van het bindvlies. Elke zomer moest hij van zijn moeder een oogband op: “Later, toen ik leraar was, moest ik elke dag crème in al die oogjes doen. In Nederland heeft een arts er foto’s van gemaakt. Het is overgegaan.”

De opvoeding thuis was hardhandig. Ook op school werd er geslagen. Agressie zonder aanleiding was in het dorp heel normaal. Uit Een Marokaanse Jood van analfabete ouders:

Mijn vriend Mordechaï Shitritt en ik hielden ons vaak schuil in een hoek van de straat en daar wachtten wij moslimkinderen op die van school kwamen. Die pakten wij zonder enige aanleiding aan, we sloegen ze in elkaar. Andere Joodse kinderen waren vaak juist bang voor moslimkinderen. Wij waren daar in de minderheid. Maar voor Mordechaï en mij waren de moslimkinderen bang.

David Pinto: “In Midelt had ik een vriendje, een moslimjongen. Alle moslimjongens waren bang voor ons. Een keer werd hij aangevallen, ik heb zijn aanvaller totaal in elkaar geslagen. Maar dat ik dit voordeel had, betekent niet dat de Joden niet de tweederangs dhimmi-behandeling kregen. Mijn oudste broer werd eens bewusteloos geslagen toen hij bij een waterput weigerde een moslim voorrang te verlenen.”

‒ In zijn boek ‘The Legacy of Jihad’ documenteert de arts Andrew Bostom de razzia’s tegen de Joden van Noord-Afrika. Kenden jullie deze geschiedenis? Voelden jullie je bedreigd?

“Joden voelden zich in mijn jeugd in Marokko minder bedreigd dan nu in Nederland met de Marokkanen. Wij wisten niets van de geschiedenis van de razzia’s. Ik wist niet eens waar Marrakesh lag.”

‒ Je had een bijzondere band met je moeder. Wat voor vrouw was zij?

“Mijn moeder heeft van haar dertien kinderen mij aangewezen om door te leren. Ik kwam na drie dochters en werd vreselijk verwend. Ik zat altijd naast haar op een krukje. Ik ben de enige die op die manier verwend werd, met aandacht. Omdat ik studeerde. Mijn moeder was heel analytisch en wijs. Ze was analfabeet, maar iedereen raadpleegde haar, vooral later in Israël, toen veel familieleden van ons daar zaten. Ze was niet diplomatiek, dat was haar zwakke kant. Ook dat heb ik van haar. En mijn moeder speelde de kinderen tegen elkaar uit. Dat was een goede les voor mij toen ik zelf vader werd. ‘Wat zou u doen als u gestudeerd had?’ vroeg ik haar eens. ‘De politiek in’, zei ze resoluut. Mijn politieke belangstelling kreeg ik pas later. Op de academie in Rabat waren er twee kampen, het politieke kamp en het filosofische kamp. Ik was gek op filosofie.”

‒ Je bent via omzwervingen in Nederland terechtgekomen, wat je nooit had verwacht. Hoe is dat gegaan?

“Mijn moeder wilde naar Israël, haar wil was wet. We gingen zogenaamd naar Canada. Er moest flink betaald worden aan Hassan II en dit mocht niet bekend worden. Toen ze bijna allemaal vertrokken waren, riep de koning: ‘Ik wil de Joden terug!’ Het was tot hem doorgedrongen dat er een brain drain was geweest. Joden waren goed voor de economie!

“Op de boot van Marseille naar Haifa met mijn ouders, twee zussen en vier broers, had ik de laissez-passer voor iedereen. De koning verstrekte geen paspoorten. Mijn rol was vertalen. Ik had in Meknes en Sefrou de yeshiva gedaan en de dayan-opleiding (voor Joods religieuze rechters) in Rabat, dus ik kende het klassieke en het rabbijnse Hebreeuws, maar het moderne Ivriet sprak ik niet goed. Dat pikte ik snel op.”

‒ Hoe lang heb je in Israël gewoond?

“Ik zat tussen 1963 en 1967 in Israël. Het begon als een ellendige periode: zo was ik leraar, in Marokko, en zo was ik niks. Mijn oudste broer, die veel geld had, was gierig, ik kreeg niet eens genoeg voor een pakje sigaretten. Via deze broer kwam ik in contact met Josef Katran van Histadroeth, de vakbeweging. Hij zat in Akko, een stad in Noord-Israël met een overwegend Arabische bevolking. Hij heeft me geholpen met een briefje voor het ministerie. Binnen een paar dagen ontving ik een oproep om bijscholing te volgen buiten Tel Aviv. Vanaf dat moment voelde ik me erkend. En thuis. Daarna, in Beër-Sjeva, leerde ik mijn vrouw Yaël kennen, een Nederlandse lerares.

“Toen brak plotseling de Zesdaagse Oorlog uit, ik vocht mee als IDF-frontsoldaat. Na afloop nodigde mijn schoonmoeder ons uit om bij te komen in Groningen. Nederland stond in die tijd voor honderd procent achter Israël. Yaël had in Israël nog een tijdelijke verblijfsstatus. Omdat ze haar Israëlische paspoort niet op tijd geregeld kreeg, zijn we in Groningen gebleven. Zij vond werk als lerares. Ik sprak geen woord Nederlands. Ik heb toen allerlei baantjes gehad. Naast mijn fulltime werk heb ik in vier jaar tijd mijn doctoraal semitische talen gehaald.”

‒ In je boek vertel je hoe het je verging in Nederland. In 1988 kreeg je landelijke bekendheid met de term ‘doodknuffelen’; je verweet de Nederlandse overheid dat ze de immigranten te veel in de watten legde. Hoe ben je hierop gekomen?

“Niet in mijn studie semitische talen, pas veel later. Na het afstuderen kreeg ik een aanbod van de bijbelwetenschapper en theoloog prof. Van der Woude om te promoveren in Groningen. Hij deed onderzoek naar een onderdeel van de Dode Zee-rollen, de Tempelrol. Hij en professor Van de Ploeg uit Nijmegen, katholiek, waren de enigen die zich hiermee bezighielden. Van der Woude wilde mij als promovendus. ‘Zal ik ZWO-geld aanvragen?’ vroeg hij. Dat is goed, zei ik. In de kantine hoorde ik dat het was toegekend.”

‒ Buitenkans!

“Toen zei ik nee, ik doe het toch niet. ‘Waarom niet?’ vroeg Van der Woude. Hij nodigde me uit bij hem thuis. Ik had al advertenties zitten lezen in Intermediair. ‘Consulent anderstaligen’ viel me op. De eerste nota van minister Arie Pais van onderwijs over minderheden in het onderwijs was net uit. Deze consulenten waren een van de maatregelen voor schooladviesdiensten voor het onderwijs aan anderstaligen. Ik wilde liever het onderwijs in, ik ben leraar.”

‒ Je bent dus toch in de minderhedensector terecht gekomen.

“Ik had gesolliciteerd bij de Universiteit van Amsterdam, als docent Hebreeuws. Iedereen was voor mijn benoeming. De docent Aramees, zo bleek achteraf, voelde zich bedreigd door mijn komst. De baan ging niet door. Zo ook een andere baan, bij de AbvaKabo als bondsbestuurder. Ik heb de afwijzingsbrief van bondssecretaris Hans Pont nog. Mijn fout was dat ik had gezegd dat ik de gedwongen verhuizing van de PTT naar Groningen een goede ontwikkeling vond. Niet aangenomen.

“Ik was of te goed, of niet goed genoeg. Zo ben ik in de minderhedensector terecht gekomen. Met een mooi salaris. Ik was erg blij. Bij de Schooladviesdienst werkten we voor de hele regio Midden-IJssel. Ik wilde me inzetten voor de kindertjes uit de minderheden, ze een betere toekomst geven. Ik was toen al tegen bicultureel onderwijs, of ‘onderwijs in eigen taal en cultuur’ (OETC), zoals dat later zou heten. Ik zag dat ze de Marokkaanse Berberkindertjes de Koran in het Arabisch uit het hoofd lieten opdreunen. Wacht even, zei ik, is dit OETC? Dat is hun moedertaal niet. Zo kwam ik op de gedachte: die wet moet opgeheven worden. Meteen kreeg ik ruzie met Mohammed Rabbae, die zei: ‘Jij bent tegen ons belang’.”

‒ Kwam je toen op het gevaar van ‘doodknuffelen’?

“Die term bedacht ik later, in Breda, toen ik directeur Welzijn Buitenlanders was. Ik werkte vanuit de emancipatiegedachte. In mijn eerste toespraak voor de ‘buitenlandse arbeiders’ (zo werden destijds de gastarbeiders uit Turkije en Marokko genoemd) zei ik: ‘Ik ga ervoor zorgen dat jullie kadertrainingen krijgen, zodat jullie niet meer afhankelijk zijn van het Nederlandse welzijnswerk’. Ik had gelezen dat een goede hulpverlener zichzelf overbodig maakt. Een collega zei toen: ‘In theorie’. Toen begon het te dagen. Maar ik was in die tijd nog optimistisch over de integratie van de Marokkanen en Turken in Nederland.”

‒ Heb je het onderschat?

“Ik heb de lange arm van Mohammed Rabbae van GroenLinks onderschat. De vijand van de Marokkaanse emancipatie. Stoelgericht, niet doelgericht. Hij zorgde totaal niet voor de kansen van de buitenlandse arbeiders, hij gaf niet om hen. Dat sterkte mij in de gedachte dat het Nederlands Centrum Buitenlanders moest worden opgeheven. Rabbae was directeur.”

‒ Van ‘doodknuffelen’ tot hoe je nu denkt: ben je geradicaliseerd?

“Nu ben ik niet meer zo pro-immigratie en dat het goed komt met de integratie geloof ik ook niet meer. Met goede bedoelingen worden mensen niet onafhankelijk. Later kwam daar bij dat ik het Nederlandse perspectief begreep. Ik ontmoette animositeit. Ik zag Fatima Elatik lopen bij een Hamas-bijeenkomst. Ik werd steeds kwader op de hele toestand: wat moet er gebeuren voordat Nederland wakker wordt? Moet het kalf eerst verdronken zijn voordat jullie de put gaan dempen? Dan is het te laat.”

‒ Op welk moment dacht je: de gastarbeiders hadden terug moeten gaan.

“Vanaf dat de cijfers bekend werden over uitkeringsafhankelijkheid, criminaliteit en religieuze achterlijkheid van een groot deel van de Turken en Marokkanen hier. Wat je ook doet, het helpt niet, ze blijven achter. Ze blijven oververtegenwoordigd in de verkeerde statistieken. Bakken met belastinggeld zijn eraan besteed. Ook de hoop of bewering dat de tweede generatie het beter zou doen, is gelogenstraft. De cultuurverschillen zijn te groot. Steeds sterker dacht ik: als jullie zo doorgaan met pamperen, gaat het fout. Je slaat hun het initiatief uit handen. Dát is doodknuffelen.

“De vader van VVD-Kamerlid Dilan Yeşilgöz, de Koerdische criminoloog Yucel Yeşilgöz, heeft samen met hoogleraar criminologie Frank Bovenkerk onderzoek gedaan naar de Turkse maffia. Het bleek dat de derde generatie nog even sterk op Turkije is gericht als de eerste. Dit heeft niks met links of rechts te maken. Ik pleit voor realisme!

“Nederlanders zijn masochisten, ziende blind. Vlak voor haar aftreden heeft Beatrix me nog eens uitgenodigd voor een gesprek. Ik zei, majesteit, met alle respect, maar uw opmerking in de Troonrede over ‘Nederland immigratieland’ klopt niet. De immigranten van eeuwen terug waren Europeanen, onder wie ook Joden. Deze immigratiegolven zijn opgenomen in de Nederlandse samenleving. Met de Marokkanen en Turken, die de afgelopen decennia kwamen, gebeurt dat niet. Hun cultuur staat te ver af van die van Nederland.”

‒ En dus: minder, minder, minder?

“Ja, ze moeten bijna allemaal weg. Je moet niet bang zijn dat je voor racist wordt uitgemaakt. Als je logisch nadenkt en terugdenkt aan de waarschuwingen van Drees sr, Drees jr en Den Uyl, kom je hierop uit. Wilders heeft niet gezegd: Marokkanen zijn dom of lui of wat dan ook. Dat zou groepsbelediging zijn geweest. Maar dit?”

‒ Israel heeft 20 procent moslims. Waarom werkt het daar wel?

“Omdat Israel een Joods-nationalistisch land is en daar kan niemand aan tornen. Moslims daar weten dat. Nederlanders begrijpen niet dat hun wetten zijn gemodelleerd naar mensen met dezelfde mentaliteit. Kijk, iedere Arabier begrijpt de attributiefout, de neiging van weldenkende mensen uit de moderne westerse cultuur om aan te nemen dat mensen uit premoderne culturen, zoals Turken en Marokkanen, wel net zo zullen denken als zijzelf. Iedere Arabier weet dat Arabieren niet op dezelfde manier denken, reageren en in het leven staan. Arabieren zijn realistischer en harder. Nederland heeft het voor de immigranten te comfortabel en te vrijblijvend gemaakt. Tegen asielzoekers moet je zeggen: één delict en we zetten je de grens over. Laat het ze tekenen!”

‒ Voel je je Nederlander?

“Ik zal nooit Hollander worden. Ik ben aangepast, niet geassimileerd. Maar ik heb wel dingen van jullie overgenomen. Dat ik ooit aan zelfonderzoek zou doen, had ik nooit kunnen bevroeden. Ik heb dat niet van huis uit meegekregen, ik heb het me eigen moeten maken. Het is niet des Marokkaans. Ga je naar een psychiater? Dan ben je gek. Maar het is wel goed.”

De autobiografie van David Pinto heet Een Marokaanse Jood van analfabete ouders.

cv David Pinto

1982: Intercultureel Instituut (ICI), Groningen.

1990: Boek Interculturele communicatie .

1993: gepromoveerd in de psychologische, pedagogische en sociologische wetenschappen in Groningen.

1998: buitengewoon hoogleraar interculturele communicatie (UvA); gelieerd aan de Bar-Ilan universiteit in Tel Aviv.

Alle boeken van David Pinto staan hier.

Sinds oktober schrijft David Pinto een maandelijkse column voor Ongehoord Nederland.