Geert Kuijntjes

De steun van het kabinet Rutte aan bedrijven, ZZP’ers e.d. is een goede zaak. Ook de ingezakte koers van het aandeel ABN AMRO biedt wellicht kansen voor de overheid, nu ze voor €8,5 miljard ‘in de min’ staan; immers, de huidige koers kun je ook als een koopmoment beschouwen. Eerder is er al een aandeel van ongeveer €700 miljoen genomen in KLM, met de verzekering (op 18 maart jl.) dat de overheid KLM blijft steunen.  Zelfs het zoveelste steunpakket van €750 miljard via de ECB (European Central Bank) is bespreekbaar, nu we wereldwijd zo hard getroffen worden door het coronavirus. Één ding is echter onbespreekbaar, en dat zijn euro-obligaties. Dan nog liever een Nexit, die ook duur en risicovol is.

Het is zaak dat we ons goed realiseren dat er in de toekomst aan de kostenkant nog vele tientallen miljarden uitgegeven gaan worden in bijvoorbeeld de zorg. In 2040 is dit geen €85 miljard per jaar meer, maar €175 miljard per jaar. Ook onze verplichtingen richting de NAVO gaan drastisch omhoog et cetera, et cetera. Voorgaande zaken zijn immense bedragen, maar behapbaar en transparant. We weten immers waar de problemen zitten, en ook waar het geld naar toe gaat. Dit ligt anders met bijvoorbeeld het steunpakket van de ECB. Die kopen voor de zoveelste keer honderden miljarden aan obligaties op, waar heel veel ‘zuidelijke’ obligaties tussen zitten.

De econoom, onderzoeksjournalist, en mede-oprichter van FvD, Arno Wellens, heeft indertijd niet alleen het associatieverdrag met Oekraïne bestudeerd, maar ook allerlei Europese richtlijnen onder de loep genomen inzake o.a. de waarde van obligaties. Het associatieverdrag met Oekraïne bleek de artikelen 10 en 452 te bevatten, die militaire samenwerking en financiële steun mogelijk maakt in een uiterst corrupt land. Artikel 10 is later teruggetrokken, om zo recht te doen aan de uitslag van het referendum.

In de EU-richtlijn 86/635 wordt duidelijk dat opgekochte obligaties niet onder de IFRS  (International Financial Reporting Standards)

vallen en dus tot het einde van de looptijd op de waarde staan waarop de ECB ze gekocht heeft, terwijl deze misschien waardeloos zijn in de toekomst. Het IFRS verplicht bedrijven zoals de ABN AMRO mogelijke tegenvallers direct op te nemen in de boekhouding, zodat iedereen weet wat er speelt. Het risico van een gedeeltelijke kwijtschelding, of ‘doorrollen’, van deze zuidelijke obligaties is namelijk groot.

Italië heeft een staatsschuld van 133 procent, terwijl 60 procent van het BNP de norm is. Dus iedere procent stijging van de Italiaanse staatsschuld is minimaal 14 miljard. Hier staat Nederland automatisch 5,7 procent voor garant, wat inhoudt dat iedere procent stijging ons €798 miljoen kan kosten. Om even een goed economisch beeld te krijgen van het zeer hard getroffen Italië: alléén landen als Zimbabwe en Haïti hadden een lagere BNP-groei dan Italië, en in The Doing Business Index van de Wereldbank staat Italië onder Wit-Rusland en Mongolië.

Voor de introductie van de euro waren zeventig economen al zeer sceptisch over de EMU, waaronder dr. Robert Went. Ze hebben er een  verklaring over afgegeven in de Volkskrant. Ook cultureel antropologen en sociologen hebben ons gewezen op de te grote onderlinge cultuurverschillen, in Europa, die veel, véél groter zijn dan in bijvoorbeeld de VS.

Ook de verschillende pensioensystemen in Europa zijn een hoofdpijndossier. Dit omdat het zuiden van Europa alleen maar een omslagstelsel kent, waar ‘jong’ voor ‘oud’ betaalt. Nederland heeft ook een omslagstelsel, de AOW, maar daarbij ook een stelsel van kapitaaldekking (het aanvullende pensioen: pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen beleggen de ontvangen premies om latere uitkeringen mogelijk te maken). Een omslagstelsel komt sterk onder druk te staan als er geen gelijkmatige en evenwichtige bevolkingsopbouw is. Dit is het geval, aangezien er rond 2050 ongeveer een verdubbeling is van het aantal 65-plussers in Europa. Europese vrouwen brengen 1,5 kinderen voort terwijl 2,1 kinderen nodig zijn om tot de juiste balans te komen. Grote problemen zoals bij de pensioenen, door de vergrijzing en minder aangroei en de enorme cultuurverschillen lagen dus vèr voor de introductie van de euro al in het verschiet en geven ongekende financiële problemen, vooral in het zuiden van Europa.

Het vertrouwen – een eerste pijler van de economie – werd op de proef gesteld toen bekend werd dat niet alleen Griekenland met een derivatenconstructie tot de euro was toegetreden, maar ook o.a. Italië. De verschuldigde betalingen in de tijd konden worden opgeschoven, wat voor een geflatteerd beeld van het begrotingstekort zorg draagt, waardoor toetreding een feit was.

Na de introductie stapelden de problemen zich op, uiteindelijk uitmondend in een machtiging voor de Europese Centrale Bank om een ruim geldbeleid te voeren, door middel van een opkoopprogramma. Hierdoor werden landen als Italië en Frankrijk gestimuleerd om niet te hervormen, aangezien obligaties toch wel opgekocht worden door de ECB. Een land als Japan heeft zeker honderd procent  meer staatsschuld, ten opzichte van het BNP als Italië, maar financiert dat (grotendeels) zelf.

De SGP kwam eerder met een voorstel, dat in de grondwet een hogere drempel ingevoerd moest worden voor de goedkeuring van Europese verdragen. De Grondwet dient zodanig gewijzigd te worden dat voor goedkeuring van verdragen die overdracht van nationale bevoegdheden mogelijk maken, voortaan een tweederde meerderheid is vereist. Helaas hebben alleen de SP, PvdD, CU, PVV en 50+ dit voorstel gesteund (FvD is natuurlijk ook voorstander, van dit SGP-voorstel, maar zat toen nog niet in de Kamer).