Onlangs nam Elsevier-redacteur Liesbeth Wytzes haar jongere collega’s onder vuur: jeugdige opiniemaaksters die vooral aandacht zouden krijgen vanwege hun geslacht en uiterlijk. “Voor een vrouw is het lastig om kritiek te hebben op andere vrouwen”, schrijft ze, terwijl haar stuk duidelijk het tegendeel bewijst. Het voelt niet alleen als een stoot onder de gordel in het tijdperk van #MeToo – ook is haar argumentatie tegenstrijdig.

Volgens Wytzes zijn er vele wegen om vooruit te komen in het leven. Meestal is dat gestaag doorploeteren in de hoop dat je een keer opvalt, onder het mom ‘de gestage drup holt de steen uit’. Dat is de nette, maar niet de snelle weg – na veertig jaar noeste arbeid is het meestal te laat om het pad te veranderen waarin je bent ingesleten. Dan rest er slechts: “Had ik toen maar…”

Daarna volgt helaas sofisterij. De auteur heeft het over “jong, blond en welbespraakt zijn” – ze noemt Simone van Saarloos en Eva Vlaardingerbroek. “Zij wachten niet maar gooien hun pluspunten al op jonge leeftijd in de strijd.” Dit is een drogreden omdat jong en blond door de natuur gegeven kwaliteiten zijn – welbespraaktheid is een verworven vaardigheid. Naast sofistisch is het tevens rancuneus. Het leest als “velen moeten hard werken voor bekendheid en anderen komt het aanwaaien op grond van hun jonge leeftijd en geslacht.” Wytzes verzwijgt bijvoorbeeld dat Vlaardingerbroek afstudeerde in de rechtsfilosofie, promovenda is en op een universiteit doceert.

Betrek ik het op mezelf, dan constateer ik dat de mainstream media weinig op hebben met mijn ongesuikerde maatschappijkritische analyses. Daarom doe ik mijn verhaal bij bijvoorbeeld Ongehoord Nederland. Al heb je internationaal aangeprezen boeken op je naam – het maakt de mainstream media weinig uit. Eva Vlaardingerbroek zal wellicht iets vaker worden gevraagd en mogelijk spelen uiterlijke kwaliteiten hier een kleine rol, maar uiteindelijk wordt ook zij hartgrondig verguisd door mainstream media, op grond van opiniemisdaden tegen de deug-hegemonie. Zo zitten we alsnog in hetzelfde schuitje. Hier blijkt dat juist de hatende uitsluiting van de Linkse Kerk de ‘voordelen’ wegnivelleert die Wytzes bekritiseert en waar ze hoog van opgeeft.

Voor iemand die zich verzet tegen ‘argument from privilege’ is het wrang dat Wytzes hamert op de “jeugdige overmoedigheid” van de betreffende jongedames. De wiskundige Carl Friedrich Gauss was op jonge leeftijd al geniaal en Alexander de Grote veroverde ver voor zijn dertigste de halve wereld. Wat maakt iemands leeftijd uit als die persoon een goed argument heeft? Daar komt bij dat deze kritiek in tegenstrijd is met de opener van de terugblikkende veertiger die denkt: “Had ik toen maar…”

Wytzes eindigt met het punt dat de huidige beroemdhedencultuur gekenmerkt wordt door rapid turnover – oftewel opgaan, blinken en verzinken. “Ik weet dat dit soort jongedames uiteindelijk weinig voor elkaar krijgen. Want na Vlaardingerbroek komt er al snel een vergelijkbaar meisje dat een plek voor zichzelf opeist en haar kwartier van roem.”

Juist hier ondergraaft de auteur haar eigen kernpunt. Als het snel opkomen, snel afgaan is, waarom maakt ze zich er dan druk om? Als dit zo is dan zal elke jongedame zich moeten bewijzen en anders verdwijnt ze vanzelf van het toneel – van hun uiterlijk hoeft dan verder geen punt gemaakt te worden. Haar tekst is evident niet geschreven als een ondersteunend of bemoedigend advies aan haar jongere concurrenten – hieruit volgt de conclusie dat Wytzes’ stuk uitsluitend een stem geeft aan een wrokkig persoon op leeftijd die terugblikt en constateert dat ze het zelf net niet heeft gered.


Wilt u reageren?
Dat kan op Facebook of op Twitter.