Zoals Boeddha in zijn jeugd, zo voelde ook de jonge Arthur Schopenhauer (1788–1860) zich naar eigen zeggen gekluisterd door de diepe triestheid van het leven. Strijd, oorlog en gruwelijke vernietiging vatten het bestaan samen: the weak are meat and the strong do. Bij mensen is dit niet anders dan bij dieren – zelfs toneelschrijvers weten weinig beters te verzinnen dan het leugenachtige ‘happy end’. Voor velen weerspiegelt de werkweek dit trieste streven: zes dagen ploeteren en verveling op de zevende (al zijn voor menig zzp’er de zes dagen zwoegen er intussen zeven).

“De wereld is een zich ontplooiend lijden” – zo staat het op blz. 12 van In aanwezigheid van Schopenhauer (2018). Dit is een werk van Michel Houellebecq, de Franse schrijver die verder geen introductie behoeft. “De onophoudelijke inspanningen om het leed uit te bannen, hebben geen ander resultaat dan dat het van gedaante verandert” (blz. 13). De kern van dit boek is Schopenhauers omgang met het lijden en hoe Houellebecq dit toepast in zijn romans: thema’s als liefde, dood, medelijden, tragiek en pijn.

Dit boek bevestigt dat Houellebecq voornamelijk is geïnspireerd door twee filosofen, te weten Comte en Schopenhauer. De positivistische Comte vertegenwoordigt de “droom van een nieuwe verbondenheid, terwijl Schopenhauer de harde realiteit vertegenwoordigt” (blz. 27). Zo bezien is het hele oeuvre van Houellebecq een zwart-witdenken van lijden en lust, voortgedreven door de vereniging van het onverenigbare. De schrijver laat deze tweespalt overstijgen door een wetenschappelijk geschapen neo-mensheid, in Mogelijkheid van een Eiland (2005) voortgebracht door een sekte, de Elohim.

Schopenhauer liet zich inspireren door de Duitse filosoof Immanuel Kant (1724–1804). Die deed zijn uiterste best om orde te scheppen in de wil via een universele plicht, zodat de wil niet met zichzelf in tegenspraak zou raken. Een probleem dat zich opdringt tijdens het lezen, is dat Schopenhauer veel lof toezwaait aan Kant en vervolgens weer een universele chaotische wil boven de ratio stelt. Het feit dat het boek deze verwondering opwekt, is op te vatten als een verdienste. Maar als het wezen van de wereld bestaat uit blinde wil – waar kan het menselijk intellect dan de kracht vandaan halen om de wil te overwinnen?

Daarna behandelt het boek het kwalitatieve verschil tussen het afgestompte verstand en het ontwikkelde intellect. “Dat een idioot niet snel gegrepen zal worden door de schoonheid van een symfonie of een subtiele redenering, behoeft weinig betoog; meer verbazing wekt het bij, laten we zeggen, een blowjob. De rijkdom van het genot, en zelfs van seksueel genot, schuilt in het intellect en is recht evenredig met het zelfstandig vermogen daarvan; hetzelfde geldt helaas voor pijn en verdriet” (blz. 83).

Het ontwikkelde intellect geniet grondiger en meer gepassioneerd van de vrouwelijke schoonheid – de esthetiek van het tengere vrouwenlijf zoals Houellebecq dat ook in romans omschrijft. De fijne lijntjes op de onderbuik accentueren dan het gespierde onderoppervlak van de tedere, satijnzachte huid, waarbij de soepele en lenige musculatuur de sensuele vrouwelijkheid nog verder versterkt. Het elastische lijf plooit zich in verleidelijke houdingen die niet alleen begeerte opwekken bij de externe toeschouwer, maar die tegelijk een eigen, innerlijke extase uitdrukken. Jammer genoeg doorvoelt het genie naast deze begeerte ook de pijn van de afwijzing des te dieper. Niettemin is een rijk innerlijk leven een duurzame bron van geluk, want een mens met een innerlijke leegte is steeds afhankelijk van thrill seeking. Neem een mens alles af – van zijn vrienden tot zijn bezittingen – dan blijft hij alleen over met zichzelf, en voor velen is dit geen fijn gezelschap.

Bevat deze filosofie nog een toepasbare kern? Dat is het geval: “Ze helpt de dood te aanvaarden, door het niet-zijn vooral te presenteren als het ophouden van pijn en verdriet. Ze heeft daarentegen bijzonde weinig praktische consequenties: als het leven echt pijn en verdriet is, lijkt het maar het beste om rustig in je hoekje te blijven wachten op de ouderdom en de dood” (blz. 78). Dit moet dan leiden tot een rimpelloos leven in afwachting van het einde.

De rimpelloze, beschouwelijke gemoedstoestand, aanbevolen door Schopenhauer, komt neer op een intuïtief kennen zonder denkverrichtingen – tot op het punt dat dit meer een ‘omgaan met’ wordt dan een verstandelijk kennen. Het stuit nogal tegen de borst dat de denkende, intelligente mens zijn hoogste mijlpaal bereikt door de verstandelijke ontplooiing achter zich te laten. Helaas ontbeert het boek een samenvattende conclusie van de auteur. Misschien wilde Houellebecq de universele levenswijsheid van Schopenhauer voor zich laten spreken – mogelijk is het domweg omdat er, aldus de inleiding van de vertaler, teksten zijn verdwenen bij het formatteren van Houellebecqs computer.

U kunt Sid Lukkassen volgen via de nieuwsbrief . En steun De Nieuwe Zuil via BackMe om soortgelijke publicaties mogelijk te blijven maken.

Credits foto: Video: lezers stellen vragen aan Michel Houellebecq.