Arno Schoen, Gennep

Hij zat daar met zijn linker hand, de binnenkant omhoog gericht, met zijn linker elleboog zachtjes rustend op zijn rechter knie tegen de oude stads buitenmuur geleund. Zijn bovenlijf enigszins krom naar voren gebogen, weggedoken in zijn gescheurde pij. De kap van de pij had hij ver naar voren getrokken. De kap die stevig geworden was door het lopen in de regen en het door de jaren verzamelen van aarde, vet en vuil. Hij was inmiddels stevig genoeg om als een dakje het grootste gedeelte van zijn gezicht met schaduw te bedekken. De pij was ooit groen geweest, helder groen, maar dat was lang gelden toen hij jonger was en hij de hele wereld aan kon.

Hij zat nu op zijn vaste plek bij de ingang van de stad. Hij had de verse paardenvijgenvan die ochtend met een stok over de ruwe keien naar zich toe geschraapt. Hij had er zijn voeten ingestoken, tenminste wat er van die voeten over was. Die voeten waren hierdoor gelukkig een beetje warmer geworden, al was het maar voor heel even.

Zijn beide handen had hij vroeger nodig voor het spelen op een ruispijp die losjes tussen zijn vingers en zijn mond geklemd was. Het heldere, sprankelende geluid, geproduceerd door het delicate samenspel tussen vingers en mond, klonk soms bovenaards. Het leek van engelen afkomstig. De zuivere, heldere tonen die de fluit voortbracht door zijn gerichte uitademen waren inmiddels vervangen door het sonore geluid dat het zware tikken op de keien, van zijn staf maakte die hij nodig had bij het lopen ondersteund door zijn raspende gehijg. Op de staf moest hij wel leunen bij het lopen, of gebruiken om zich te verweren als de onbezonnen jeugd het weer eens tijd vond hem te bekogelen met wat er voor handen was. Fluit spelen was zijn lust en zijn leven geweest, het had ooit betekenis.

Optrekken met militaire parades, tijdens optochten. Hij floot er vrolijk op los. De prachtige, heldere marsmelodieën waren voor de meeste mensen een plezierige afleiding van de dagelijkse beslommeringen. Iedereen genoot ervan als hij trots voorbij liep, de borst ferm vooruit. Hij was een vaak uitgenodigd muzikant op feesten en partijen. Tijdens huwelijken, op kermissen en zelfs bij het rond reizende circus. De barbier die hem vroeg en extra betaalde als hij op zijn hardst, maar net verdraagbaar voor het menselijk gehoor wilde spelen. En hij moest er dan vrolijk bij kijken! Hij was een ieder tot dienst geweest en werd er goed voor betaald.

Als hij wat geld had ontvangen voor verrichte diensten schonk hij met grote regelmaat aan:eerst het betere bier, daarna de fijne dames. Later gaf hij wat aalmoezen aan bedelaars en aan de kerk, tijdens zijn bezoek op zondag.

Zijn roem vervaagde toen er een vlek op zijn gezicht verscheen. Een mauve getinte wat donkere-en later een bobbelige rode vlek. Eerst was deze zacht rond, maar duidelijk afgetekend tegen zijn blanke huid. Hij had het zelf niet eens door het deed geen pijn, maar andere mensen wezen hem er regelmatig op.

De vlekken waren zich na de eerste jaren verder over zijn lichaam gaan verspreiden. Ze waren overal duidelijk zichtbaar aan de oppervlakte aanwezig. Zijn ledematen waren aangetast. Zijn rechter hand was inmiddels zonder alle vingers en de duim was nu een stompje. Langzaamaan namen ook zijn overige vaardigheden af.

Nu zat hij hier alleen, ver van diezelfde kerk, het bier de fijne dames en verder van het leven dan ooit. Zijn knieën waren hoog opgetrokken om zijn arm te ondersteunen om zo zijn nog redelijk gave hand opgericht te kunnen houden naar de warme zon. In de hoop dat passanten hem er een penning of zelfs een halve in zouden geven zat hij zo stil mogelijk. Misschien kreeg hij vandaag dan eindelijk wat geld, een weinig al was het maar om wat fruit te kunnen kopen of een homp droog brood. De mensen vermeden hem echter steeds vaker en bedekten hun gezichten, vooral hun monden. Ze hielden soms zelfs hun adem in als ze voor hun gevoel te dicht bij hem in de buurt kwamen.

De chirurgijn die hij eens had geraadpleegd had hem geadviseerd een meter vijftig afstand te houden van andere mensen voor het gemak. Zijn gemak, maar ook dat van de anderen. Hij maakte zich klein gezeten bij de poort, zo nederig en klein als het maar kon tot bijna plat op de grond.

Zijn enige gedachte: Iedere dag is een nieuwe dag, en morgen is alles anders!