Caroline de Gruyter, columniste bij NRC Handelsblad, stelt in een paginagroot artikel: ‘Corona brengt EU-landen nader tot elkaar’. Ze meent voorts dat de Europese Unie ‘[geopolitiek] ontwaakt met dank aan het coronavirus.’ De NRC-artikelen van De Gruyter geven blijk van een verlangen naar meer macht voor de EU. De Europese Unie moet kunnen opboksen tegen de wereldmachten. Dit is een idee-fixe, zie de inertie om een politieke positie in te nemen jegens Wit-Rusland. De EU is een tandeloze tijger. Laten we daar nu eens een keer eerlijk over zijn. Dit zal nooit anders worden zolang de lidstaten soeverein zijn.

De Gruyter heeft het graag over de geopolitieke mogelijkheden die de Europese Unie heeft via de uitbreiding van het beoogde imperium. Ik heb haar gevraagd of haar geopolitieke gedachtegoed in de (zeer bedenkelijke, veelal fascistoïde) traditie staat van bekende denkers als Alexander Dugin, Carl Schmidt, Herman Wirth, Rudolf Hess, Alain de Benoist en Karl Haushofer. Ik moet nog antwoord krijgen …

Om meer macht te krijgen, is het nodig dat er een zekere afbakening komt van de landen die tot de Europese Unie gerekend kunnen worden. Maar er is nog steeds geen sterveling die het weet, anders dan dat we zeker weten dat Afghanistan niet bij Europa hoort en geen kans maakt tot toetreding. De Gruyter zegt impliciet dat er geen Europese identiteit bestaat. Dat is volkomen juist. Er zijn uitsluitend nationale identiteiten, meestal afgebakend door taal. De enige macht die de Europese Unie heeft, is die van de interne markt, mogelijk de grootste ter wereld. Die economische macht moet gekoesterd worden en daarbij moeten mensen die dagdromen over een politiek imperium niet in de weg lopen.

Zoals gezegd, meent De Gruyter dat door corona de EU-landen dichter bij elkaar komen, in het bijzonder vanwege het Herstelfonds. Ik denk van niet. Dit fonds zou volgens haar in ‘solidariteit’ tot stand zijn gekomen. Daar valt veel op af te dingen. Het was een afgedwongen solidariteit, want anders zouden de zuidelijke landen failliet gaan en zouden we ‘nog veel verder van huis zijn’. Het was een perverse, morbide beslissing, die al vaker is becommentarieerd.

We zijn wel solidair met Zuid-Europa, maar niet met het aardbevingsgebied Groningen. De overheid is onbetrouwbaar geworden. Er is ook gesteld dat we ‘wel solidair zijn met Zuid-Europa, maar niet met onze zorgmedewerkers’. Deze voorbeelden geef ik om aan te tonen hoe krom dit gebruik van het woord ‘solidariteit’ is. De Gruyter lijkt enkel EU-solidariteit te erkennen.

Maar weer niet het gebrek aan solidariteit met landen die leeglopen vanwege de Europese Unie. Bulgarije en Roemenië zijn (nog) geen Schengenlanden, maar hun onderdanen mogen zich sinds 2013 vrij bewegen door alle EU-landen. Het verwoest de sociale infrastructuur van die landen. Voor de landen die wel lid zijn van Schengen (Hongarije) zorgt dit eveneens voor een braindrain.

Hoe komt het dat degenen die zo enthousiast zijn over de EU nooit over dat ontwrichtende effect van het imperium spreken? De open arbeidsmarkt en Schengen lijken exact het tegendeel van ‘solidariteit’. Waar is de empathie gebleven? Waarom zo selectief als het om solidariteit gaat? Het maakt geen oprechte indruk. Na zoveel jaar Schengen en de euro kunnen we constateren:

1. open arbeidsmarkten in de EU verwoesten de sociale infrastructuur van de landen met lage lonen en een relatief zwakke professionele arbeidsmarkt. De arbeid stroomt naar plaatsen waar de lonen het hoogst zijn en professionaliteit het grootst;

2. de euro verwoest de financiële infrastructuur in de EU: er ontstaat een schuldenunie waarin moral hazard (moreel wangedrag: mensen gaan meer risico’s nemen omdat ze weten dat de financiële gevolgen voor een ander zijn) regeert. Vermogen wordt dwangmatig overgedragen naar plaatsen waar de financiële en sociale infrastructuur het zwakst is.

Men hoeft geen briljante econoom te zijn om te constateren dat de EU een aantal bruggen te ver is gegaan. Hoe onlogisch is het dan om voort te gaan op dit geopolitieke dit pad en nóg verder te gaan, met overdracht van soevereiniteit en een politieke unie in het verschiet. Je verstand staat er bij stil.

De Gruyter besluit haar artikel met een mooi citaat van de schrijfster Carry van Bruggen (1881-1932): “De mens zoekt altijd eenheid maar als hij te veel één wordt met anderen, verliest hij zijn eigenheid. Daarom heeft hij altijd onderscheid nodig en wil hij altijd het verschil met anderen markeren. Distinctie, anders dan anderen zijn, is de voorwaarde van ons zelfbehoud.” Van Bruggen had gelijk. Waar wordt die distinctie het beste gegarandeerd? Uiteraard binnen de nationale grenzen en binnen onze eigen cultuur en taalgebied, waar wij het beste ‘op zoek kunnen gaan naar eenheid’. Maar zo bedoelt De Gruyter dit niet.

Frits Bosch is macro-econoom, belegger en schrijver van onder meer Onbehagen bij de elite (2018) en Schaft ook Nederland zich af? (2019). Een eerdere versie van dit blog is gepubliceerd op Verenoflood.

Credits schilderij: Napoleon bezoekt de slachtoffers van de builenpestepidemie in Jaffa. Antoine-Jean Gros (1804), Louvre.