Ik weet niet hoe het met jullie is, maar ik heb schoon genoeg van de luitjes die niet met hun kleffe deugtengels van onze moedertaal kunnen afblijven. Op de staatsradio hoorde ik iemand (Arnon Grunberg? Ik meende zijn nuffige stem te herkennen) over de Belastingdienst zeggen: “Er is een conceptueel verschil tussen nationaliteit en ras, maar als mensen het in de praktijk als synoniem gebruiken, is er toch een probleem.”

Dit ging over het verwijt van ‘etnisch profileren’ dat de Belastingdienst kreeg. De dienst heeft toeslagontvangers met twee nationaliteiten extra gecontroleerd. Die extra controle is in de ogen van heel veel Nederlanders terecht: uit onderzoek is bekend dat Marokkanen en Turken, inwoners met een dubbele nationaliteit, massaal frauderen met uitkeringen en toeslagen.

Maar volgens deze ‘Spraakmaker’ was de extra controle racistisch. Ook al is nationaliteit geen ras, dat dondert niet.  

Ander voorbeeld: Maandblad Onze Taal. In het nieuwe nummer vraagt een redacteur zich af hoe het toch komt dat ‘welwillende mensen’ vaak ‘de hakken in het zand zetten’ als ze horen dat woorden als neger, blanke of allochtoon kwetsend overkomen bij minderheden. En of er iets tegen die ‘weerstand tegen taalaanpassing’ te doen is.

Zouden die mensen nou echt niet door hebben dat ze aan het framen zijn? Dit zijn gesloten vragen, met als verborgen aanname dat je níét welwillend bent als je deze woorden in de mond neemt.   

De omgekeerde vraag, waar de weerstand tegen deze woorden ineens vandaan komt en of het wel terecht is om ze als kwetsend te ervaren, stellen ze niet. Jullie en ik weten het antwoord. Een kleine minderheid van een etnische minderheid, ofwel een paar hard schreeuwende Surinamers, gebruikt ónze moedertaal als wapen tegen blanke Nederlanders, een door en door racistisch volk.

Het Genootschap Onze Taal, dat ‘een vereniging van taalliefhebbers’ (!!) zegt te zijn, leent zich voor deze betuttelende whitesplaining. Hoe weten ze trouwens dat zwarte mensen deze woorden niet kunnen verdragen? Is het geen aangepraat leed?

Misschien kennen jullie de dooddoener van taalkundigen, als je je ongenoegen uit over dit gezeur. “Taal verandert nu eenmaal”, leggen ze je dan van ijle hoogten uit, alsof je zwakzinnig bent. Alsof het een autonoom natuurverschijnsel is dat de redactie van dikke Van Dale buigt voor de schreeuwlelijkerds.

Zo kreeg het woord ‘neger’, dat wij uit het Portugees hebben geleend (negro), en de Portugezen hebben het weer van het Latijnse woord voor zwart, niger, ineens een negatieve betekenis. Het was altijd een gewoon woord dat je overal in Suriname en in Nederland hoorde. Plotseling kreeg het in het woordenboek de toevoeging ‘pejoratief’ (negatief).

Toen Hilda Verwey-Jonker in 1971 de term ‘allochtoon’ verzon, was de boot al snel aan. Beroepssurinamers vonden ‘m stigmatiserend, maar begrepen niet dat een als negatief ervaren verschijnsel of dito imago heus niet verbetert als je het een andere naam geeft.

“Gerommel met woorden die ‘niet meer kunnen’, zoals ‘tot slaaf gemaakte’, is onzin,” zegt een lezer van maandblad Onze Taal uit. “Moeten we ook gaan spreken van tot voorzitter gekozene in plaats van gewoon voorzitter? Een ziek gewordene in plaats van een zieke? Ik vind het potsierlijk.”

Het taalkundigencliché heeft de redactie ditmaal thuis gelaten. In plaats daarvan bedrijft ze psychologie van de koude grond om haar kritische lezers te duiden als onwelwillend. En dus zevert een stel ‘deskundigen’ over verharding en de controverse zoeken (niet de schreeuwnegers, maar wij). Blanken die verkeerde woorden blijven gebruiken, hebben behoefte aan ‘voorspelbaarheid en overzichtelijkheid in een complexe wereld’, met andere woorden, zijn verstandelijk beperkt. Sorry, uitgedaagd.

Leuk geprobeerd, helper whiteys van Onze Taal. Maar wij trekken ons geen derrière van jullie kwezelarij aan. Wij blijven gewoon blank, neger en allochtoon zeggen. Hup, ON!

Wilt u reageren?

Dat kan op Facebook of op Twitter.