Bert Weber, Schiedam

In 1965 heb ik bijna een jaar aan boord van het S.S. Friesland gezeten met een 44-koppige moslimbemanning. Een pure verschrikking. Op deze reis had de Koninklijke Rotterdamse Lloyd (KRL) het onzalige idee opgevat om voor het eerst laskaren uit Karachi uit te proberen.

Dat heeft de Lloyd geweten. Met de Pakistanen aan boord, leek het in niets meer op een Lloyd-schip. Het waren 43 moslims en één christen, die de wc’s moest schoonmaken. Maar hij was wel de enige die Engels sprak en kon lezen en schrijven. Alles was anders bij die lui. Ze maakten altijd ruzie en eisten van alles. Een vriendelijke sfeer of een dolletje, zoals we wel met de Chinezen meemaakten, was er niet bij. En dan de smerigheid. Vliegende kakkerlakken en muizen in de droge voorraadruimte; het ongedierte was meegekomen met de in Singapore aangeschafte kruiden en zaden. Wegens ruimtegebrek werden veel zakken op de bovendekken geplaatst, met als gevolg dat we in de eerste de beste Amerikaanse haven uitgegast moesten worden. Zelfs in het brood zaten beestjes.

In San Francisco is de hele bemanning van boord gelopen, zogenaamd omdat ze geslagen werden en ‘rottend’ eten kregen. De laskaren kregen er direct steun van de Longshoremen, de zich bootwerkersvakbond noemende maffiabende die hierin een goede reden zag om weer eens te gaan staken. Het schip werd aan de ketting gelegd.

Wijzelf (officieren, kombuis en ik) konden niet van boord. We werden bedreigd door zowel de laskaren als de bootwerkers. ’s Avonds zaten wij naar het schip en onszelf op televisie te kijken. De laskaren werden in een hotel ondergebracht. Ze eisten meer salaris, een schadevergoeding van 250 dollar per dag en gooiden nog meer absurde eisen op tafel. De KRL ging hier natuurlijk niet op in. Er werd een compleet nieuwe, Nederlandse bemanning ingevlogen, wat een vermogen heeft gekost. Zelfs nadat een Amerikaans schoonmaakbedrijf het schip onder handen had genomen, heeft de nieuwe Nederlandse bemanning nogmaals alle hutten en douches moeten schoonmaken.

Toen we weer in Karachi aankwamen (het schip zat in een lijndienst) werden we door de kapitein gewaarschuwd dat diezelfde gedroste bemanning, die van San Francisco terug naar Karachi was gevlogen, van plan was om als ‘spijtoptanten’ aan boord te komen, om te proberen ons een verklaring te laten tekenen waarin stond dat niet zij, maar de Longshoremen de aanstichters van de staking waren. Met als resultaat dat de laskaren brodeloos werden: de KRL stopte meteen met het aannemen van Pakistanen.

Wij voeren door met de nieuwe Nederlandse bemanning. De KRL had tientallen jaren ervaring met Javanen en vanaf 1958 vooral met Chinezen. Die gaven nooit problemen. De Engelsen voeren al een eeuw met Indiërs, die wisten dan ook hoe je moslims moest benaderen. Ik heb een keer gezien dat een Engelse bootsman een van hun Pakistaanse laskaren een schop onder zijn achterste gaf. Wij wisten niets van deze mensen. We behandelden hen als goudhaantjes, gaven in alles toe.

Ik moest een speciaal soort olie inkopen. Wij dachten dat het om te koken was, maar ze smeerden het in hun haar. Met als gevolg dat ik woorden kreeg met de officieren, die wilden niet meer op de kussenslopen slapen. De olietroep ging er niet uit in de wasserij. Toen moesten alle kussenslopen gemerkt worden om ze apart te kunnen houden.

Drinken deden ze natuurlijk niet, maar ze rookten als ketters. Op zaterdag gaf ik limonade, drank en sigaretten uit. Op de namenlijst, op zich al een heel karwei vanwege de onbekende taal, konden ze ervoor tekenen. Ze konden dat alleen doen met hun duim of wijsvinger vanaf een stempelkussen, dus mijn hele lijst was verziekt en vies.

Maar het allerergst vond ik hun rituele slacht. De eerste keer in San Francisco op de rondreis moest ik ‘halal’ vlees inkopen. Het vlees moest gestempeld zijn en voorzien van door een imam getekende certificaten. Bovendien moest ik nog vier levende schapen kopen voor de ramadan op zee. Ik heb daarvoor een hele dag met een taxi door de stad moeten struinen. Uiteindelijk lukte het me om een paar geiten te kopen en aan boord te krijgen. Terzijde: alles voor de moslims, maar wij mochten nog geen kanariepietje hebben in onze hut.

Ze hadden liever niet dat wij het zagen. De levende geiten bleven eerst dagenlang in hun eigen vuil in de doucheruimte staan. Smerige boel, het stonk. Op volle zee zijn ze geslacht: ’s morgens heel vroeg werden ze op luik 4 aan een hefboom opgehesen en de keel van de beesten werd doorgesneden omdat ze moesten leegbloeden. Het was afschuwelijk, ik ben me daarom later gaan inzetten tegen de rituele islamitische slacht.

En dan rolden ze natuurlijk ook nog een paar keer per dag het matje uit om te bidden naar het Oosten. En ’s avonds nog eens gezamenlijk aan dek. En met de ramadan de hele dag zielig doen, zuchten, steunen en klagen dat het werken zo zwaar was zonder eten en drinken …

Twee jaar later heb ik in de nasleep van de Zesdaagse Oorlog een week vastgezeten in een hotel in Basra. Ik zat tussen moordlustige, godsdienstwaanzinnige moslims, Irakezen en Iraniërs. Door alles wat ik op deze en andere reizen heb meegemaakt, heb ik ervaren dat deze mensen niet te veranderen zijn. Van kinds af aan geïndoctrineerd en later voor 99 procent bereid om zelfs voor hun geloof te moorden.

Dit verhaal speelt zich lang geleden af, in de tijd dat er Nederland nog nauwelijks moslims waren. Dus wie mij toch van discriminatie wil beschuldigen, bedenke dat ik dat op de Friesland moet hebben geleerd.